Boekbespreking: “De bakermat van de beurs”

Vier eeuwen geleden zaten onze voorouders bepaald niet stil. De VOC werd opgericht als eerste onderneming ter wereld die aandelen uitgaf, de in 1609 opgerichte wisselbank faciliteerde transacties tussen kooplieden op een tot dan ongekend niveau en in 1611 kreeg Amsterdam haar eerste beursgebouw. Het is dus niet verwonderlijk dat de laatste jaren veel boeken over de financiële geschiedenis van Nederland werden geschreven en uitgegeven. “De bakermat van de beurs”, door Lodewijk Petram, is zo’n boek. Het heeft als subtitel: “Hoe in zeventiende-eeuws Amsterdam de moderne aandelenhandel ontstond”.

Spiegel

Die subtitel dekt de lading van dit boek volledig, maar toch is deze geschiedschrijving niet de grootste verdienste. Die verdienste zit erin dat Lodewijk Petram ons een spiegel voorhoudt. Zaken die zo vanzelfsprekend lijken dat we er geen seconde meer bij stilstaan, blijken de vrucht te zijn van soms langdurige ontwikkelingen. Zo hadden aandelen ten tijde van de VOC geen vaste nominale waarde. Participaties in het VOC-kapitaal konden betrekking hebben op allerlei bedragen. Het was de verdienste van de gebroeders Raphoen, die tot de vroegste hoeklieden van de beurs behoorden, dat er stukken met een gestandaardiseerde nominale waarde kwamen. De broers kochten grote en kleine participaties op van andere handelaren en door samenvoegen of splitsen brachten ze stukken met een nominale waarde van f 3.000 op de markt. Uiteindelijk werd dit de standaard voor een VOC‑aandeel.

Clearing

Petram maakt in zijn boek ook duidelijk hoe groot het belang is van een effectieve clearingorganisatie. Door clearing handelen partijen op de moderne effecten- en derivatenbeurs in anonimiteit en is het tegenpartijrisico uitgesloten. Ten tijde van de VOC moesten koper en verkoper van een aandeel samen naar het VOC-kantoor om de overdracht van een aandeel te laten inschrijven. Transacties buiten het kantoor om – zoals bij termijncontracten – maar ook onoplettendheid van bewindhebbers die bij iedere transactie op kantoor de rechtsgeldigheid ervan moesten toetsen, zorgde ervoor dat tal van partijen die zich al dan niet terecht benadeeld voelden, verzeild raakten in tijdrovende conflicten en juridische procedures. Ook moesten de VOC‑bestuurders door schade en schande leren dat aandeelhouders recht hebben op informatie en inspraak. En wie heeft gelezen hoe in de zeventiende eeuw met informatie werd omgesprongen zal alleen maar blij zijn dat tegenwoordig duidelijke wettelijke kaders bestaan over het omgaan met voorkennis.

Optie op VOC-aandeel

Joodse handelaren krijgen in het boek een apart hoofdstuk. In de zeventiende eeuw kwamen velen van hen naar ons land en een aantal was bijzonder actief op de beurs. Tussen handelaren met een christelijke achtergrond en hun joodse collega’s vond weinig interactie plaats. Deze situatie was een van de oorzaken van het ontstaan van beursmakelaars die tot taak hadden partijen met elkaar in contact te brengen. Wellicht de eerste transactie in aandelenopties kan ook worden toegerekend aan een joodse handelaar. Op 22 juni 1671 ontving Joseph Pereira van zijn neef Jacob Pereira een diamanten ring. Door die ring aan te nemen verbond Joseph zich om op 1 januari 1672 een VOC‑aandeel van f 3000 nominaal aan te nemen tegen een koers van 525. Op dat moment was de koers 440 en Jacob was bereid op de overeengekomen expiratiedatum genoegen te nemen met verrekening van het verschil. Een vroege vorm van cash settlement. De ring kan worden gezien als optiepremie.

Geen vervolgemissies

In Amsterdam kwamen in de zeventiende eeuw de termijnhandel en de effectenhandel tot grote bloei. De auteur vindt het daarom terecht dat Amsterdam te boek staat als stad waar de eerste aandelenbeurs tot ontwikkeling kwam. Tegelijkertijd stelt hij vast dat de stad hiervan geen economisch voordeel heeft gehad. Zonder aandelenhandel waren de stad en de Republiek net zo rijk geworden. De auteur geeft aan dat in de vroege aandelenhandel vooral geld werd verplaatst. Winst van de ene handelaar was het verlies van de andere. Anders gezegd: de aandelenhandel had nog geen waardevermeerderend karakter. Dit was anders geweest indien de VOC – en ondernemingen die geen verhandelbare aandelen uitgaven – regelmatig nieuwe aandelen hadden geplaatst om kapitaal op te halen. Dergelijke emissies zouden vermoedelijk succesvol zijn geweest, want er was geld in overvloed. Petram spreekt het vermoeden uit dat het VOC‑bestuur simpelweg niet op het idee kwam vervolgemissies uit te schrijven. Dat is opvallend, want vooral in de tweede helft van de zeventiende eeuw waren er perioden waarin de onderneming dringend om extra kapitaal verlegen zat.

Eerste aandelentransactie

Er zijn deskundigen die vertellen wat ze weten en je hebt deskundigen die weten wat ze vertellen. De eerste categorie raakt in een zelf gecreëerd doolhof van feiten en weetjes al spoedig de weg kwijt zodat onduidelijk is waar ze nu eigenlijk heen willen. De tweede categorie gebruikt feitenkennis ter ondersteuning van het betoog. Lodewijk Petram, die economie en geschiedenis studeerde aan de Universiteit van Amsterdam en hier ook promoveerde op een proefschrift over de aandelenmarkt in zeventiende-eeuws Amsterdam, behoort overduidelijk tot de tweede categorie. Wat hij meldt is functioneel en ondersteunt zijn verhaal. Bovendien kan Petram schrijven; ook dat is lang niet iedere deskundige gegeven. Het verhaal over hoe Dirck van Os zijn huis aan de Amsterdamse Nes openstelde voor inschrijving op de eerste VOC-aandelen leest als een roman. De allereerste IPO werd gevolgd door handel en – heel bijzonder – ook de allereerste aandelentransactie ter wereld wordt in het boek beschreven. Wie wil begrijpen waarom de beurs heden ten dage functioneert zoals zij functioneert, kan eigenlijk niet om dit boek heen. De moderne effecten- en derivatenhandel zijn het resultaat van eeuwenlange creativiteit en innovatie.